Als ik deze blog schrijf zit ik nog op een tweedaagse met studentenpastores die gaat over engagement. In de lezing van prof. Ellen Van Stichel die ik mocht beluisteren kwam de meritocratie als belemmering voor engagement naar voren. De analyse van de meritocratie (letterlijk: gebaseerd op je merites of verdiensten) raakt aan heel wat thema’s die vandaag bij mijn studenten en cliënten spelen. We lijken pas echt te tellen als we vooruitgaan, bijdragen, groeien. Wie mee kan, blijft gezien. Wie even niet kan volgen, verdwijnt geruisloos naar de achtergrond.
Terwijl ik luisterde, merkte ik hoe weinig afstand er is tussen de analyse van de meritocratie en het leven van alledag. In gesprekken met collega’s, vrienden en cliënten duikt steeds weer hetzelfde gevoel op. Dat het druk is, maar vooral dat het druk moet zijn. Dat rust iets is wat je uitlegt, verantwoordt of uitstelt. Alsof stilstaan alleen toegestaan is wanneer alles eerst is afgewerkt: “Pas als alle mails uit mijn mailbox zijn verdwenen kan ik mijn laptop dichtdoen” of “Pas als de keuken opgeruimd is kan ik even in de zetel gaan zitten.” Alsof je pas mag uitademen wanneer je bewezen hebt dat je het verdient.
Waar ik hier wil over schrijven is niet de vraag of meritocratie rechtvaardig is, maar wel over wat het met mensen doet om te leven in een samenleving waarin verdienste centraal staat. Wat gebeurt er wanneer je waarde voortdurend lijkt af te hangen van wat je realiseert? Wat doet dat met hoe je naar jezelf kijkt, met hoe je lichaam aanvoelt, met hoe nabij je anderen durft laten komen?
Het basisinzicht dat ik hier verder uitwerk klinkt heel eenvoudig, maar niet noodzakelijk geruststellend. Een samenleving waarin verdienste centraal staat, gecombineerd met een wereld die steeds sneller draait, legt een vorm van druk op mensen die ze uiteindelijk alleen moeten dragen. Die druk is niet noodzakelijk luid of expliciet. Ze sluipt vaak traag binnen. Dan gaat het over morele druk: het gevoel dat je moet deugen, over temporele druk: het gevoel dat je moet mee zijn. en over existentiële druk: de angst dat stilvallen gelijkstaat aan achterop raken.
Wanneer falen aanvoelt als schuld
Dat deze druk geen individueel probleem is, maar een maatschappelijke dynamiek, werd al vroeg scherp gezien door Michael Young. In The Rise of the Meritocracy (1958) beschreef hij hoe een samenleving die mensen selecteert op talent en inzet, langzaam verschuift naar een samenleving waarin succes als verdiend wordt ervaren en falen als eigen schuld. Zijn waarschuwing ging niet over verschillen tussen mensen, maar over wat er gebeurt wanneer die verschillen moreel worden geladen.
Wat daarin vandaag zo herkenbaar is, is hoe weinig ruimte er nog is voor pech of tijdelijke kwetsbaarheid. Als iets lukt, lijkt dat jouw verdienste. Als iets niet lukt, ga je vaak eerst bij jezelf zoeken. Had ik beter moeten plannen? Meer moeten volhouden? Minder moeten twijfelen? De vraag wat heb ik nodig wordt al snel verdrongen door ‘wat heb ik verkeerd gedaan?’
Michael Sandel maakt dit morele effect nog explicieter. In The Tyranny of Merit (2020) laat hij zien hoe een samenleving waarin verdienste centraal staat niet alleen ongelijkheid produceert, maar ook relaties aantast. Wie succes heeft, leert zichzelf feliciteren. Wie het moeilijk heeft, leert zich verantwoorden. Er is bovendien een voortdurende vergelijking en een soort concurrentiestrijd.
Dat voel je in het dagelijkse leven. In het ongemak wanneer iemand zegt dat het even niet lukt. In de neiging om vermoeidheid snel te relativeren. In de schaamte die opduikt wanneer je merkt dat je niet meer hetzelfde tempo haalt als vroeger. Stilvallen voelt dan niet als een normale fase, maar als persoonlijk falen.
Altijd onderweg
Alsof die morele druk nog niet volstaat, leven we tegelijk in een wereld die steeds sneller draait. Hartmut Rosa beschrijft dit als versnelling (Rosa, 2013). De moderne tijd heeft een aantal versnellingsprocessen in gang gezet die in onze tijd nog veel sterker geworden zijn en dat uit zich in hoe we de zaken ervaren. Alles moet vooruit: werk, communicatie, leren, zelfs ontspanning. Rust wordt iets wat je inplant, liefst efficiënt. Even niets doen voelt al snel ongemakkelijk, bijna verdacht. In dit versnelde klimaat is er bovendien weinig tijd voor zingeving, voor de ’trage vragen’.
Belangrijk is dat dit zelden een bewuste keuze is. De meesten van ons verlangen niet naar een jachtig leven. Maar vertragen voelt als verlies. Wie even gas terugneemt, moet dat uitleggen. Zeker in een context waarin tempo stilzwijgend gelijkstaat aan engagement en betrokkenheid.
Een samenleving waarin verdienste centraal staat en een samenleving die steeds sneller wordt, zijn twee verschillende bewegingen, maar ze drukken op dezelfde plek. De ene stelt voortdurend de vraag of je goed genoeg bent. De andere vraagt of je wel meekan. En wie op beide vragen even geen geruststellend antwoord heeft, voelt dat meteen, vaak zonder woorden, maar wel diep vanbinnen.
Wanneer het lichaam op scherp blijft staan
Misschien herken je dit: je zit ’s avonds eindelijk even stil, maar je lichaam blijft gespannen. Je schouders zakken niet. Je adem blijft hoog. Of je bent samen met mensen die je graag ziet, het gesprek is warm, en toch kan je niet echt landen. Alsof je altijd een beetje “aan” blijft staan, zelfs wanneer er niets meer moet.
Dat is geen gebrek aan wilskracht. Het is vaak een lichamelijke reactie op langdurige druk.
De neurobioloog Stephen Porges laat zien dat ons zenuwstelsel voortdurend scant of een situatie veilig is (Porges, 2011). Wanneer er onvoldoende signalen van veiligheid zijn, schakelt het lichaam over op bescherming. Spanning, controle en afstand zijn dan geen karaktertrekken, maar overlevingsreacties. Het lichaam blijft paraat, ook wanneer het hoofd al begrijpt dat er geen direct gevaar is.
Die lichamelijke bescherming werd al veel eerder beschreven door Wilhelm Reich (1949), die sprak over karakterpantsering. Alhoewel wat controversieel in zijn analyse, blijft het inzicht overeind dat het lichaam de sporen draagt van spanning en van het beschermen tegen kwetsbaarheid. Onder langdurige druk spant het lichaam zich op om te blijven functioneren. Dat werkt, vaak jarenlang. Mensen blijven doorgaan, houden alles recht, dragen wat moet gedragen worden. Maar de prijs wordt langzaam voelbaar: minder toegang tot voelen, minder spontaniteit, minder nabijheid. Het pantser beschermt, maar sluit tegelijk af.
Wat Porges en Reich samen duidelijk maken, is dat het lichaam vaak sneller reageert dan ons denken kan volgen. Waar druk tijdelijk is, kan bescherming weer losgelaten worden. Maar waar druk structureel wordt, wordt bescherming chronisch. En wat ooit een strategie was om overeind te blijven, wordt een manier van zijn.
Vanuit die lichamelijke dynamiek wordt begrijpelijk wat psychiater Stefaan Claes bedoelt wanneer hij spreekt over een gestresste samenleving. Stress ontstaat vandaag zelden door één grote gebeurtenis. Ze groeit in een context van voortdurende paraatheid. Altijd bereikbaar. Altijd alert. Altijd het gevoel dat er nog iets moet.
Belangrijk is dat Claes dit niet leest als individueel falen. Mensen zijn niet te zwak. Ze leven in een context die weinig ruimte laat voor begrenzing. Rust is alleen toegestaan als ze functioneel is. Kwetsbaarheid alleen als ze snel weer wordt omgezet in kracht. Het lichaam krijgt zelden het signaal dat het echt veilig mag ontspannen.
Intimiteit en verbondenheid
Op dit punt werpt het werk van Paul Verhaeghe een helder licht op wat er gebeurt. In zijn boek Intimiteit (2015) beschrijft hij een verlies van intimiteit met het eigen zelf. Mensen raken het contact kwijt met hun gevoelens, verlangens en grenzen, niet omdat ze dat niet willen, maar omdat voelen onveilig is geworden in een samenleving waarin verdienste centraal staat.
Een cruciale gedachte bij Verhaeghe is dat intimiteit met de ander niet los kan worden gezien van intimiteit met het zelf. Wie zichzelf vooral bekijkt door een beoordelende bril – doe ik het goed genoeg, ben ik nog mee – kan de ander moeilijk echt nabij laten komen. Relaties blijven dan correct en loyaal, maar missen diepte. Er is nabijheid, maar geen rust.
Verhaeghe beschrijft twee wegen om die intimiteit te herstellen. De ene loopt via taal en reflectie: opnieuw woorden geven aan ervaring, afstand nemen van opgelegde verwachtingen. Maar denken alleen volstaat niet. In een wereld die al sterk cognitief en controlerend is, kan denken zelfs een nieuwe vorm van afstand worden.
Daarom wijst hij ook op het lichaam. Op opnieuw leren luisteren naar wat zich vanbinnen aandient. Hier sluit het werk van Eugene Gendlin (1981) bijna vanzelfsprekend bij aan. Zijn idee van de felt sense gaat niet over analyseren, maar over toelaten. Over even blijven bij wat je voelt, zonder het meteen te moeten oplossen. Het is een manier om opnieuw intimiteit met jezelf te ontwikkelen, van binnenuit.
En precies daar raakt dit aan het werk van Brené Brown. Brown laat zien dat echte verbinding niet ontstaat doordat we alles op orde hebben, maar doordat we ons durven tonen met wat nog niet af is. Kwetsbaarheid is geen zwakte, maar de voorwaarde voor nabijheid en verbinding. Schaamte, het gevoel dat je tekortschiet, verbreekt verbinding nog vóór ze kan ontstaan.
Brown benadrukt bovendien dat emoties niet selectief zijn. Wie kwetsbaarheid en moeilijke gevoelens wegduwt om te blijven functioneren, duwt tegelijk vreugde, empathie en verbondenheid weg. We worden misschien efficiënter, maar ook eenzamer.
En nu?
Als er iets duidelijk wordt, dan is het dat druk niet zomaar verdwijnt door harder te werken aan jezelf. Misschien ligt de beweging elders: niet alles oplossen, maar anders leren dragen.
Enkele mogelijke ingangen:
- Rust niet langer zien als iets wat moet worden verdiend, maar als iets wat het lichaam nodig heeft, ook wanneer er nog zaken openstaan.
- Lichamelijke signalen serieus nemen, nog vóór ze woorden krijgen: spanning, onrust of vermoeidheid zijn geen fouten, maar informatie.
- In relaties minder uitleggen en minder optimaliseren, en iets vaker gewoon aanwezig zijn. Durven zeggen dat iets te veel is, zonder het meteen te relativeren.
- Contexten zoeken of creëren waarin niet alles meteen moet renderen, en waarin falen geen moreel oordeel oproept maar ruimte maakt voor gesprek.
Misschien gaat het er niet om de druk volledig weg te nemen, maar om omstandigheden te creëren waarin ze niet langer alleen gedragen moet worden. Dat maakt het leven niet perfect, maar wel menselijker.
Referenties (APA)
Brown, B. (2012). Daring greatly. Gotham Books.
Brown, B. (2021). Atlas of the heart. Random House.
Claes, S. (2018). De gestresste samenleving. Lannoo.
Gendlin, E. T. (1981). Focusing. Bantam Books.
Porges, S. W. (2011). The polyvagal theory. W. W. Norton.
Reich, W. (1949). Character analysis (3rd ed.). Farrar, Straus and Giroux.
Rosa, H. (2013). Social acceleration. Columbia University Press.
Sandel, M. J. (2020). The tyranny of merit. Farrar, Straus and Giroux.
Verhaeghe, P. (2015). Intimiteit. De Bezige Bij.
Young, M. (1958). The rise of the meritocracy. Thames & Hudson.
